Natuurherstel begint aan de waterkant | Biodiversiteit Amstelland

Natuurherstel begint soms gewoon aan de waterkant

Soms moet je met iemand meelopen die anders naar het landschap kijkt om te ontdekken hoeveel je zelf over het hoofd ziet.

Onlangs ging ik samen met een ecoloog op pad langs de sloot- en oeverranden van de boeren van Boeren van Amstel. Waar ik vooral weilanden, sloten en groene oevers zag, zag hij een waardevol leefgebied voor planten, insecten, vogels en andere dieren.

Zijn enthousiasme over de ecologische waarde van die smalle stroken zette me opnieuw aan het denken. Want juist op de overgang van land naar water liggen kansen voor natuurherstel die we gemakkelijk over het hoofd zien.


Het bijzondere leven tussen land en water

We beschouwen een sloot vaak als een praktische scheiding tussen twee weilanden. Een watergang die zorgt voor de afwatering en die nu eenmaal bij het Nederlandse landschap hoort.

Maar ecologisch gezien is een oever veel meer dan dat.

Het is de plek waar twee werelden samenkomen. Waterplanten, insecten, amfibieën, vissen, vogels en kleine zoogdieren maken allemaal op hun eigen manier gebruik van deze overgang.

Juist de afwisseling tussen nat en droog, hoog en laag, open water en begroeiing maakt zulke plekken interessant.

In de afgelopen eeuw zijn veel watergangen rechtgetrokken en oevers steiler geworden. Dat was vaak praktisch voor het waterbeheer en de landbouw, maar het heeft ook leefgebied voor planten en dieren beperkt.

Wat mij tijdens onze wandeling vooral opviel, was hoeveel natuurpotentieel er schuilgaat in relatief kleine stroken grond.

Een paar meter langs een sloot lijkt misschien niet veel. Maar wanneer je die meters over tientallen kilometers met elkaar verbindt, ontstaat ineens een heel ander perspectief.

De waarde van boerenland opnieuw ontdekken

Bij Boeren van Amstel begon onze betrokkenheid bij natuurherstel vanuit de zorg van boeren voor de weidevogels.

De grutto is daar misschien wel het bekendste symbool van.

Maar weidevogels staan natuurlijk niet op zichzelf. Ze zijn onderdeel van een groter ecosysteem waarin bodemleven, insecten, planten en water allemaal een rol spelen.

Daarom zijn we verder gaan kijken dan alleen de vogels.

Wat kunnen we doen om het landschap als geheel rijker te maken? En hoe kunnen we dat combineren met een economisch gezonde bedrijfsvoering voor onze boeren?

Een van de antwoorden vonden we langs de slootkanten.

Op stroken waar niet meer bemest mag worden, ontstond de mogelijkheid om inheemse kruiden in te zaaien. Daarmee kunnen we de variatie in begroeiing vergroten en, bij passend beheer, meer voedsel en leefruimte bieden aan insecten en andere dieren.

Het bijzondere is dat die kansen zich bevinden op grond die boeren al beheren.

Natuurherstel hoeft dus niet altijd te beginnen met het aankopen van nieuwe natuurgebieden. Soms kun je veel bereiken door anders te kijken naar de ruimte die er al is.

Van een ambitie van 100.000 m² naar zichtbare verandering

We begonnen met een ambitieuze gedachte: wat als we uiteindelijk 100.000 vierkante meter aan kruidenrijke stroken kunnen realiseren?

Niet op één grote locatie, maar verspreid over het boerenland in Amstelland.

In de Bovenkerkerpolder, de Ronde Hoep en de Duivendrechterpolder gingen boeren aan de slag met het inzaaien van kruidenrijke slootranden.

En langzaam werden de eerste verschillen zichtbaar.

Wat voorheen een betrekkelijk uniforme groene rand was, kan zich ontwikkelen tot een gevarieerdere begroeiing met verschillende soorten kruiden en bloemen.

Dat vraagt tijd, aandacht en goed beheer. Inzaaien is immers pas het begin. Welke soorten zich uiteindelijk vestigen en wat dat betekent voor de biodiversiteit, moet in de jaren daarna blijken.

Maar de eerste zichtbare veranderingen maken nieuwsgierig naar wat er nog mogelijk is.

Samenwerking met het waterschap

Een belangrijke stap was de samenwerking met Waterschap Amstel, Gooi en Vecht.

Het waterschap besloot 6.000 vierkante meter aan kruidenrijke oevers te ondersteunen, verspreid over het boerenland van Boeren van Amstel.

Een mooie samenwerking, omdat juist waterschappen en boeren elkaar nodig hebben bij het verbeteren van de biodiversiteit langs watergangen.

Waterschappen brengen kennis mee over waterkwaliteit, ecologie en waterbeheer. Boeren kennen hun land, beheren de oevers en kunnen natuurmaatregelen inpassen in hun dagelijkse werkzaamheden.

Die combinatie vind ik interessant.

Niet vanuit het idee dat de ene partij de andere moet vertellen hoe het moet, maar vanuit de overtuiging dat je samen meer bereikt wanneer je elkaars kennis en belangen begrijpt.

Het vraagt samenwerking, wederzijds vertrouwen en de bereidheid om te blijven leren.

Natuurherstel eetbaar, meetbaar en vooral beleefbaar maken

Wat mij in dit soort projecten steeds meer bezighoudt, is hoe we de waarde van natuurherstel ook zichtbaar kunnen maken voor mensen buiten het boerenbedrijf.

Want waarom zouden alleen boeren, ecologen en waterschappen weten wat hier gebeurt?

In mijn werk probeer ik daarom drie dingen met elkaar te verbinden.

Eetbaar. Door lokale voedselproducten te koppelen aan concrete investeringen in het landschap. Zo verbonden we de verkoop van onze Amsterdammer Kaas aan het inzaaien van biodiversiteit: een vierkante meter per kilo kaas.

Meetbaar. Door vast te leggen waar maatregelen worden uitgevoerd, hoeveel oppervlakte wordt aangepakt